Dossieropdracht 12

april 5, 2009 door larsdevries

Dossieropdracht 12

Kies een samenwerkingsvorm, zoals besproken in dossieropdracht 11 en verwerk deze in een concreet lesidee. In mijn gegeven les was er al sprake van samenwerking. Een les ingericht met de bedoeling samen te werken zou ik als volgt indelen.

Ik kies voor deze opdracht voor de samenwerkingsstructuur denken-duo’s-delen.

- korte inleiding voor docenten;
- instap (voorkennis activeren);
- ICT (oefening op de pc, ook om de voorkennis te activeren);
- opgaven en uitleg in tekstblokken vormen de basisstof in vijf paragrafen;
- samenvatting (mooie opsomming van het hoofdstuk, is niet altijd compleet);
- testbeeld (test jezelf opdracht ter voorbereiding op de repetitie);
- extra opgaven (meer opgaven van hetzelfde niveau die al behandeld zijn);
- gemengde opdrachten (paragraaf waarin verdieping van de stof wordt aangeboden in combinatie met opgaven uit andere hoofdstukken);
- plus opgaven (aanvullende opgaven op de stof ter verdieping en verbreding).

De inleiding die ik voorlees wordt opgevolgd door de instap. De instap is bedoeld om de voorkennis te activeren en lijkt mij een prima moment om te starten met denken-duo’s-delen om daarna aan te vangen met de vijf paragrafen nieuwe stof. Het merkwaardige is dat de meeste collegae de instap overslaan om tijd te winnen(?). Ik denk in aansluiting op de theorie dat het activeren van voorkennis essentieel is, bovendien is het een belangrijke voorwaarde voor effectief leren.
Ik zie het starten met een nieuw hoofdstuk als een nieuwe start. Een soort nieuwe ronde nieuwe kansen. De LL beginnen, als het goed is, met een stof die ze allemaal al weten.

Door de regels uit te leggen van denken-duo’s-delen bied ik een duidelijke structuur, iedereen weet van er van ze wordt verwacht. De reden om op deze wijze te werken is dat LL zo beter leren samen werken en kennis te delen. Mijn LL weten waarom we eerst beginnen met de instap, maar omdat nog eens te herhalen kan nooit kwaad. De structuur van denken-duo’s-delen is een heldere en overzichtelijke structuur, deze bestaat ui slechts drie stappen. Bovendien krijg ik als docent ruimte voor maatwerk. Als de LL de vragen goed begrijpen kan ik sneller door de stof heen. Hebben LL toch moeite een vraag dan kan daar extra aandacht aan worden besteed. Ik kan bijvoorbeeld een LL het klassikaal laten uitleggen. Door denken-duo’s-delen krijgt de docent een goed beeld in de moeilijkheidsgraad van de opgaven, die de opstap vormen voor het nieuwe hoofdstuk. Hebben de parallelklassen met dezelfde opgaven moeite?

De instap bestaat in dit geval uit slecht twee opgaven, omdat er in dit geval meerdere subvragen zijn. De LL hebben alle benodigdheden op hun bureaus klaar liggen en de boeken op de juiste pagina opengeslagen. De LL werken samen met hun buurman/-vrouw en krijgen 12 minuten de tijd om de opgaven te maken. Heeft de klas langer nodig is dat geen probleem. Maar door het een beetje kort aan te houden geeft dat een beetje druk om door te werken.

Op het bord schrijf ik:
- het doel van de werkwijze;
- samenwerken met buurman/-vrouw;
- tijd voor de opgaven 12 min.
- de structuur van werken:
- stap 1. Denken: lees de vraag, denk na over het antwoord;
- stap 2. Duo’s: bespreek je gevonden antwoord met je buur, help elkaar en zorg dat je het eens wordt over het beste antwoord;
- stap 3. Delen: docent vraagt aan de groepjes de gevonden antwoorden, het lijkt me zinvol de gevonden antwoorden op het bord te schrijven en deze te turven. De LL reageren op elkaars antwoorden en worden zo betrokken bij het geven van het enig juiste antwoord.

Om de opgaven van de instap te behandelen hebben we de hele les nodig. De cyclus wordt diverse keren doorlopen. Het vasthouden van de juiste snelheid zal wel aftasten zijn. Het geluidsniveau zal ik moet blijven bewaken, maar het is ook een graadmeter voor het enthousiasme. Het mag best een beetje levendig en een beetje speels, maar ze moeten wel de aandacht vasthouden bij de stof en de spelregels.
Ik verwacht dat sommige LL hebben moeite om samen te werken, wellicht omdat ze het niet gewend zijn. Ook verwacht ik grote snelheidsverschillen binnen de klas. Om toch het te komen tot een zo groot mogelijke efficiëntie zal ik aandacht moeten besteden aan het samenstellen van de duo’s. Ik zal de snellere aan de langzamere moeten koppelen. De snellere LL heeft een extra uitdaging. Hij/zij zal worden gedwongen meer uitleg te geven.

Bij het behandelen van de stof en het maken van de opgaven uit het boek kies ik voor denken-duo’s-delen. In dit model komen de drie belangrijkste sleutelbegrippen voor van samenwerkend leren: de individuele aanspreekbaarheid komt terug in stap 1 en 3. De positieve wederzijdse afhankelijkheid komt terug in stap 2. Directe interactie komt terug in stap 2 en 3 dit geldt in de duo’s maar ook klassikaal.

Samenvattend kan ik vaststellen dat de werkvorm denken-duo’s-delen heel goed gebruikt kan worden om een start te maken met het nieuwe hoofdstuk om de voorkennis te activeren.
De les die ik heb gegeven was voor een klas die het onderwerp over hoeken al voor een groot deel hadden behandeld. Als dit niet het geval was geweest en ze dit onderwerp voor het eerst kregen dan zou ik de les opzet zoals boven beschreven hebben ingedeeld.

dossier opdracht 8 interview collega’s

april 5, 2009 door larsdevries

Vraag 8a,
Vragen aannames en stellingen over schoolcijfers en de antwoorden cq. Reacties

Interview met de heer Neyrana, docent wiskunde Oranje Nassau college

Stel jij de normering van repetities vooraf vast? Ja.

Waarom stel je het vooraf vast en niet achteraf vast?
Elke vraag heeft een bepaalde gewicht en die kun je van te voren al in punten aangeven

Ben je bereid deze achteraf aan te passen?
Eigenlijk niet, maar als meer dan 60 % een onvoldoende heeft bekijk ik of het niet teveel was eventueel schrap ik een opgave die niemand goed heeft gemaakt en verdeel ik die punten over de andere opgaven

Wat zouden voor jou goed argumenten zijn dat wel te doen?
Goede argumenten zijn die ik hiervoor heb genoemd, al komt het eigenlijk nooit voor

Het achteraf vaststellen van de norm heet relatieve normering. Vind je dat op andere terreinen beter toepasbaar zoals het landelijk examen?
Nee. Ik ben er niet voor. Zo halen alle kinderen uit de provincie tegenwoordig een 8 of hoger voor het CE Nederlands omdat de normering (N-factor) hoog is om niet alle medelanders uit de Randstad te laten zakken. Zo krijg je een gekunsteld cijfer. Zo jokt de minister zichzelf voor dat het goed gaat.

Leerlingen nemen je vak pas serieus als je als leraar ervoor zorgt, dat het aantal onvoldoendes voor je vak niet al te klein is?
Nee dit kan ll net zo goed demotiveren

Zijn rapportcijfers en cijfers in het algemeen machtsinstrumenten in handen van docenten?
Ik zie het als toetsmomenten. Er zullen wel ll zijn die uitsluitend wat doen voor een cijfer, maar ik gebruik het niet als machtinstrument.

Geven verbale rapporten voor jou een beter inzicht in de geleverde prestaties van de leerlingen dan cijfers?
Verbale rapporten, bedoel je opmerkingen bij het rapport? Dit laat ik achterwege, want een mondelinge bespreking kan plaats vinden bij de rapport vergadering.

Uit sociaal-pedagogische overwegingen dienen cijfers afgeschaft te worden. Cijfers zorgen onder leerlingen voor een ongezonde competitiegeest.
Wat een onzin ik kan toch niet iemand op zijn eerlijke blauwe ogen beoordelen. Nee in de maatschappij wordt je ook beoordeeld, dus ook op school. Een cijfer geeft een prima indicatie

Hanteert een leraar het beoordelingssysteem van cijfers op een juiste wijze indien hij het volgende cijferbeeld laat ontstaan: 25% slecht, 50% middelmaat en 25% goed?
Dit zou betekenen dat ik de normering achteraf vaststelen dat doe ik niet

Het beoordelen van leerlingen op basis van cijfers is administratief gezien prettig vanwege het gemak. Zijn er voor jou redenen andere dan hierboven genoemd om cijfers te handhaven?
Ik zou geen objectievere manier kunnen bedenken
Zou je over willen stappen naar een andere beoordelingsvorm?En zo ja welke en waarom?
Nee dus, al hanteer ik wel een systeem van postive afronding een ll die altijd zijn huiswerk heeft gemaakt kan 0,1 punt extra krijgen op zijn rapport cijfer een 5,4 kan dan een 6 worden. Dit is echter objectief want ik controleer altijd of het huiswerk is gemaakt.

Zijn cijfers als motivatiemiddel onmisbaar?
Tja veel ll werken idd alleen voor een cijfer in die zin is het voor hen wel een motivator, al zou ik natuurlijk liever zien dat iedereen zijn motivatie uit het vak zelf haalt

Interview met dhr Emanuelson, docent Nederlands Oranje Nassau college Zoetermeer
Vragen aannames en stellingen over schoolcijfers en de antwoorden cq. reacties:

Stel jij de normering van repetities vooraf vast?
Dat hangt van het soort overhoring af

Wanneer stel je het vooraf vast en wanneer achteraf?
Een mondeling examen normeer ik altijd achteraf omdat je niet van te voren prewcies kunt vaststellen wat een ll kan antwoorden. Schriftelijke overhoringen normeer ik zoaveel maogelijk vooraf.
Ben je bereid deze achteraf aan te passen?
ja
Wat zouden voor jou goed argumenten zijn dat wél te doen?
Vraag verkeerd gesteld, te lange repetitie,

Het achteraf vaststellen van de norm heet relatieve normering. Vind je dat op andere terreinen beter toepasbaar zoals het landelijk examen?
Daar heb ik veel minder invloed op omdat de normering al grotendeels wordt vastgelegd.

Leerlingen nemen je vak pas serieus als je als leraar ervoor zorgt, dat het aantal onvoldoendes voor je vak niet al te klein is?
Mijn inzet is dat iedereen een voldoende haalt, hoewel dit een utopie is, wil ik mijzelf niet verschuilen achter het argument dat onvoldoendes goed zouden zijn voor het serieus nemen van mijn vak.

Zijn rapportcijfers en cijfers in het algemeen machtsinstrumenten in handen van docenten?
Het zijn meet instrumenten niet meer en niet minder.

Geven verbale rapporten voor jou een beter inzicht in de geleverde prestaties van de leerlingen dan cijfers?
Een verbaal rapport? Tijdens mentor uren bespreek ik wel de voortgang, maar het zijn de cijfers die tellen

Uit sociaal-pedagogische overwegingen dienen cijfers afgeschaft te worden. Cijfers zorgen onder leerlingen voor een ongezonde competitiegeest.
Het zei zo, zo zit de maatschappij ook in elkaar beoordelen en beoordeeld worden
.

Hanteert een leraar het beoordelingssysteem van cijfers op een juiste wijze indien hij het volgende cijferbeeld laat ontstaan: 25% slecht, 50% middelmaat en 25% goed?
Nee je krijgt dan een vertekend beeld. De werkelijkheid wordt vertaald naar wenselijkheid van de docent niet doen dus.

Het beoordelen van leerlingen op basis van cijfers is administratief gezien prettig vanwege het gemak. Zijn er voor jou redenen andere dan hierboven genoemd om cijfers te handhaven?
Ik zou geen andere manier weten
Zou je over willen stappen naar een andere beoordelingsvorm?En zo ja welke en waarom?
Nee, je moet toch beoordelen een cijfer geeft een goed overzicht.

Zijn cijfers als motivatiemiddel onmisbaar?
Voor de meeste ll is dit idd de enige reden dat ze zich inzetten.

dossier opdracht 8

maart 2, 2009 door larsdevries

Interview
1.Wat is je naam?
Robin
2.Op welke school zit je (vmbo/havo/vwo)
Gemini college
3.In welke klas zit je?
2S (havo)
4.Hoe worden er op jullie school cijfers gegeven (cijfers0-10, of voldoende goed etc.)
1-10
5.Wat is voor jou een slecht cijfer ( een 6 ?)
een 6 of lager
6.Maakt het uit voor welk vak je een slecht cijfer haalt
(vind je een 5 voor wiskunde bv goed maar voor nederlands bijvoorbeeld niet)
Ja alles behalve gym dat boeit mij niet
7.Motiveert ,demotiveert een slecht cijfer je?
Ik ga dan extra mijn best doen
8.Maakt het uit voor welk vak je dat cijfer haalt?
Nee
9.Werk je hard voor een goed cijfer?
Soms wel
10.Doe je dit voor alle vakken of vind je sommige vakken niet zo belangrijk.
Dat doe ik voor alle vakken, maar niet voor sterprogramma, want dat boeit me niet echt
11.Wordt het als “cool “of juist “uncool” gezien als je goede cijfers haalt?
Het wordt als cool gezien
12.Vertel je het je ouders als je een slecht cijfer haalt (ik fingeer de namen dus wees niet bang dat als je nee zegt, je ouders erachter komen, ik vertelde het mijn ouders nooit als ik een slecht cijfer haalde)
nee

13.Krijgen jullie tussen rapporten door, ook cijferlijsten die je je ouders moet laten tekenen.
nee
14.Hoe reageren je ouders op slechte cijfers? (als je het ze vertelt of ze erachter komen)
Heel slecht ( meestal geen pc meer)
15.Wat doet de leraar als je een slecht cijfer hebt gehaald.
bij Duits geeft ze strafwerk maar voor de rest doet haast niemand wat
16.Je haalt vast wel eens een slecht cijfer komt dit dan meestal omdat de leraar het niet goed heeft uitgelegd, of omdat jezelf niet genoeg hebt gedaan.
Nou.. Allebei eigenlijk een beetje en ook als ik dan een toets moet maken dan ben ik zo zenuwachtig dat ik alles vergeet

17.Je zult ook wel eens goede cijfers halen wordt je daarvoor beloond?
Soms… soms krijg ik er iets voor en soms zeggen ze alleen goed zo ofsteken ze hun duim op..(Dat is eigenlijk het zelfde)

Dossierpdracht 8

februari 2, 2009 door larsdevries

Interview
1.Wat is je naam?
lissa Estha
2.Op welke school zit je (vmbo/havo/vwo)
Ik zit op het Gemini College
3.In welke klas zit je?
In 2 havo (2S )
4.Hoe worden er op jullie school cijfers gegeven (cijfers0-10, of voldoende goed etc.)
De cijfers worden gegeven met cijfers van 1-10
5.Wat is voor jou een slecht cijfer ( een 6 ?)
Voor mij is een slecht cijfer alles onder de 6
6.Maakt het uit voor welk vak je een slecht cijfer haalt
(vind je een 5 voor wiskunde bv goed maar voor nederlands bijvoorbeeld niet)
Nee, want een slecht cijfer is en blijft een slecht cijfer het maakt niet uit voor welk vak het is.
7.Motiveert ,demotiveert een slecht cijfer je?
Een slecht cijfer demotiveert me wel maar na een poosje motiveert het me juist om harder mijn best te doen.
8.Maakt het uit voor welk vak je dat cijfer haalt?
Je herhaalt jezelf een beetje XD
9.Werk je hard voor een goed cijfer?
Ja, want om een goed cijfer te halen moet je ook goed leren (je krijgt nou eenmaal niks gratis )
10.Doe je dit voor alle vakken of vind je sommige vakken niet zo belangrijk?
Ik doe het voor alle vakken (behalve gym )
11.Wordt het als “cool “of juist “uncool” gezien als je goede cijfers haalt?
Het hangt er vanaf aan wie je het vraagt, iedereen wil een goed cijfer maar er zijn er maar weinig die er moeite voor doen.
12.Vertel je het je ouders als je een slecht cijfer haalt (ik fingeer de namen dus wees niet bang dat als je nee zegt, je ouders erachter komen, ik vertelde het mijn ouders nooit als ik een slecht cijfer haalde)
Ik ontwijk het onderwerp altijd als het kan,want als ze je er niet naar vragen hoef je er ook niks over te zeggen.
13.Krijgen jullie tussen rapporten door, ook cijferlijsten die je je ouders moet laten tekenen
Nee die krijgen we niet (godzijdank )
14.Hoe reageren je ouders op slechte cijfers? (als je het ze vertelt of ze erachter komen)
Heel teleurgesteld en ze weten altijd weer je, je schuldig te doen voelen. :P
15.Wat doet de leraar als je een slecht cijfer hebt gehaald.
Meestal niks, maar soms krijg je ook extra werk om te maken
16.Je haalt vast wel eens een slecht cijfer komt dit dan meestal omdat de leraar het niet goed heeft uitgelegd, of omdat jezelf niet genoeg hebt gedaan?
Dit kan komen doordat ik zelf niet goed genoeg heb geleerd, maar door de meestal drukke sfeer in mijn klas is het voor een docent ook wel eens moeilijk om iets goed uitte leggen dus kan het ook daardoor verkeerd gaan.
17.Je zult ook wel eens goede cijfers halen wordt je daarvoor beloond?
Ja, want soms krijg ik extra geld voor een heel goed cijfer

Rest volgt

dossieropdracht 11

januari 30, 2009 door larsdevries

Dossieropdracht 11

Hoofdstuk 4 uit “Effectief leren in de les” van Sebo Ebbens en Simon Ettekoven.

Hoofdstuk 4 “Een begin maken met samenwerkend leren” blz. 91 gaat over een begin maken met samenwerkend leren. Deze vorm van activerend leren sluit goed aan bij de directe instructie, die we eerder hebben behandeld.

B: H4
Wat is nodig voor een goede samenwerking:
• duidelijke regels, ordelijke situatie;
• aandacht geven en aandacht vragen. Heldere communicatie in de groepjes maar ook tussen docent en leerlingen, geef de gelegenheid vragen te stellen;
• gemeenschappelijke werkmethode. Geef de LL een duidelijke werkinstructie en stappenplan in hun samenwerking
• ontwikkeling stimuleren. LL helpen door ze het zelf uit te laten zoeken;
• Coöperatief invloed uitoefenen. Docent zorgt voor sturing van het proces. Docent blijft verantwoordelijk.

Groepswerk, samenwerken door leerlingen onderling:
• rekening houden met gewoonten en gebruiken van de school. Hebben de LL al eerder samengewerkt? Geef dit proces aandacht, samenwerken gaat niet vanzelf.;
• werkwijze voorbereiden met de LL. Geef LL duidelijkheid over het doel van het in groepjes samenwerken en wat er van ze wordt verwacht;
• denk goed na over de te vormen groepjes. Welke samenstelling?;
• laat de LL wennen aan de “nieuwe” werkwijze. Laat ze deels met rust, maar houd overzicht, grijp eventueel in en biedt waar nodig ondersteuning.

Drie argumenten ten behoeve van activerend leren:
• effectiviteit en rendement. De leerstof beklijft beter als actief met de stof wordt gewerkt ipv. passief aan horen dat wat de docent te vertellen heeft;
• door de les organisatorisch te wijzigen kan de docent in de “vrij gekomen tijd” LL helpen die het juist zo nodig hebben, dus maatwerk leveren;
• maatschappelijk gewenst. De maatschappij wenst sociaal en communicatief vaardige mensen.

Sleutelbegrippen voor samenwerkende leren:
• Positieve wederzijdse afhankelijkheid. LL laten ervaren dat ze elkaar nodig hebben. Krachtige ondersteuning door het hanteren van rollen, elk groepslid krijgt een rol/taak;
• Individuele aanspreekbaarheid; iedereen is aanspreekbaar op het groepsresultaat en aanspreekbaar op de gemeenschappelijke uitkomst. Als er geen onderlinge afhankelijkheid is dan is samenwerkend leren kansloos. Hulp hierbij kan zijn de individuele bijdrage zichtbaar te maken en of de groep een oordeel uit te laten spreken over ieders bijdrage en of een cijfer te verbinden aan de groepsopdracht of na het samenwerkend leren een repetitie af te nemen over de bestudeerde stof;
• Directe interactie. De groepsleden moedigen elkaar aan, ondersteunen elkaar en communiceren op een directe wijze met elkaar. Door dit te stimuleren moeten de groepsleden dicht bij elkaar zitten en elkaar kunnen zien, “neus tegen neus en teen tegen teen”.
• Sociale vaardigheden. De groepsleden moeten beschikken over interpersoonlijke vaardigheden en over vaardigheden in het samen leren, zoniet dan is het effect minder tot niet effectief.
• Evaluatie en bijstelling van groepsprocessen. Onderleiding van de docent met de LL het groepsproces, de samenwerking en ieders bijdrage bespreken. Geef de LL de ruimte hun eigen functioneren te bespreken.

Drie basisstructuren bij samenwerkend leren
Er worden drie redelijk toepasbare samenwerkingstructuren behandeld:
• Check-in-duo’s. Is mn. geschikt als je snel en efficiënt de antwoorden wilt checken of opdrachten met een eenduidig antwoord. Wissel de duo’s, voorkom vaste patronen.
• Denken-delen-uitwisselen. Is met name. geschikt voor de meer complexe vragen. De rol van de docent is terughoudend en procesbegeleider;
• Eenvoudige experts. Deze structuur kan worden gebruikt bij complexe opdrachten waarbij veel informatie moet worden verwerkt. De stof wordt in gelijkwaardige stukken geknipt en verdeeld onder de groepsleden die deze gaan verwerken, door bijvoorbeeld het samen te vatten . Elk groepslid wordt expert over zijn aandeel en gaat deze kennis overdragen aan de andere groepsleden. De rol van de docent is terughoudend, procesbegeleider, nauwelijks inhoudelijk interveniërend en draagt zorg voor de nabespreking;

I:H4

De rol van de docent is een andere. Uit beide hoofdstukken wordt mij duidelijk, dat de docent een begeleidende en sturende rol heeft. Hij is verantwoordelijk voor het goed verlopen van de samenwerking. De aangereikte structuren kunnen doelgericht ingezet worden om zo het leer rendement te verhogen en de docent tijd te besparen. De lesplannen moeten eerst worden aangepast. De bespaarde tijd kan doelmatig worden aangewend om die LL te helpen die dat nodig hebben. De snellere LL kunnen dan verder werken. Het zal resulteren in een prettigere werksfeer, actievere LL in een veilig werkklimaat, want fouten maken is nu helemaal niet erg, LL hebben veel meer vrijheid, LL kunnen nu lekker kletsen en nu eens over het vak, de leraar loopt rond als vraagbaak en toezichthouder.

Belangrijk is de LL goed voorbereiden op het samenwerken. Het samenwerken zal dan ook zeker niet vanzelf gaan. Het is dan ook noodzakelijk de doelen uit te leggen en te bespreken. Geef duidelijk de regels aan en geef antwoord op de vraag:”Waarom werken in groepjes zo belangrijk is?”. Als vakdocent wil je graag dat de leerlingen snel veel leren van jou vak. Dus zijn de geboden structuren meer dan welkom. Daarnaast wordt er een beroep gedaan op de sociale vaardigheden dat onontbeerlijk is om te komen tot een effectieve samenwerking.

T: H4

De beschreven theorie is erg nuttig voor mij ik ben nog geen docent. Door verhalen in de media over het nieuwe leren was ik vrij sceptisch over al deze in mijn ogen nieuwigheden. Afgelopen donderdag heb ik een wiskunde les gegeven op het Oranje Nassau college. Dit is een school die zich toegelegd heeft op het nieuwe leren samen werken in groepjes vormt hier een belangrijk onderdeel van het aangeboden onderwijs. Ik heb hier in de praktijk kunnen zien hoe dit werkt en ik moet zeggen dat ik , hoewel een container begrip, veel positiever sta t.o.v. het nieuwe leren. Een heel belangrijk punt vind ik de betrokkenheid van LL.en de ruime mogelijkheid tot individuele begeleiding.

groepjes van drie personen;
- elke groepslid krijgt een roulerende taak, denk aan tijdswaarnemer, lezer, schrijver en controleur;
- ik loop rond om te assisteren.
- In mijn gegeven les heb ik ditmaal ll laten werken in groepjes van twee volgens het check in duo’s principe

Een lesuur heb ik gebruikt om opdrachtjes uit het boek te laten maken. Het was tevens bedoeld ter voorbereiding op de overhoring.
Ik herhaal de doelen, de regels. Voor het samenstellen van de groepjes heb ik de eenvoudigste oplossing gekozen nl samen met je buurman/vrouw. Ik loop rond om hier en daar te assisteren en toe te zien op de groepsprocessen. Het lastigst vond ik hierbij de ll op de taak te laten concentreren, al snel gingen gesprekken over andere dingen dan de opgaven.

Het is heel leuk om op zo’n actieve manier om te gaan met leerstof. Maar: “Wat zijn nadelen of wat zouden nadelen kunnen zijn? Wordt de tijd die voor de groepsopdrachten efficiënt besteed? Gevoelsmatig vliegt de tijd, wordt de tijd door de LL ook aan andere dingen besteed dan werken aan de opdracht? Hoeveel is dan die verloren tijd? Is goede werksfeer niet heel erg bevorderlijk voor efficiëntie verhoging?”

Al met al moet ik concluderen dat de school waar ik een les heb gegeven het gestimuleerd wordt om samen werkend te leren. Ik kan mij scholen voorstellen waar het niet of nauwelijks gebeurt. In dit geval zal het meer energie kosten om het samenwerkend leren in te voeren.

dossieropdracht 11

januari 30, 2009 door larsdevries

Dossieropdracht 11

Hoofdstuk 4 uit “Effectief leren in de les” van Sebo Ebbens en Simon Ettekoven.

Hoofdstuk 4 “Een begin maken met samenwerkend leren” blz. 91 gaat over een begin maken met samenwerkend leren. Deze vorm van activerend leren sluit goed aan bij de directe instructie, die we eerder hebben behandeld.

B: H4
Wat is nodig voor een goede samenwerking:
• duidelijke regels, ordelijke situatie;
• aandacht geven en aandacht vragen. Heldere communicatie in de groepjes maar ook tussen docent en leerlingen, geef de gelegenheid vragen te stellen;
• gemeenschappelijke werkmethode. Geef de LL een duidelijke werkinstructie en stappenplan in hun samenwerking
• ontwikkeling stimuleren. LL helpen door ze het zelf uit te laten zoeken;
• Coöperatief invloed uitoefenen. Docent zorgt voor sturing van het proces. Docent blijft verantwoordelijk.

Groepswerk, samenwerken door leerlingen onderling:
• rekening houden met gewoonten en gebruiken van de school. Hebben de LL al eerder samengewerkt? Geef dit proces aandacht, samenwerken gaat niet vanzelf.;
• werkwijze voorbereiden met de LL. Geef LL duidelijkheid over het doel van het in groepjes samenwerken en wat er van ze wordt verwacht;
• denk goed na over de te vormen groepjes. Welke samenstelling?;
• laat de LL wennen aan de “nieuwe” werkwijze. Laat ze deels met rust, maar houd overzicht, grijp eventueel in en biedt waar nodig ondersteuning.

Drie argumenten ten behoeve van activerend leren:
• effectiviteit en rendement. De leerstof beklijft beter als actief met de stof wordt gewerkt ipv. passief aan horen dat wat de docent te vertellen heeft;
• door de les organisatorisch te wijzigen kan de docent in de “vrij gekomen tijd” LL helpen die het juist zo nodig hebben, dus maatwerk leveren;
• maatschappelijk gewenst. De maatschappij wenst sociaal en communicatief vaardige mensen.

Sleutelbegrippen voor samenwerkende leren:
• Positieve wederzijdse afhankelijkheid. LL laten ervaren dat ze elkaar nodig hebben. Krachtige ondersteuning door het hanteren van rollen, elk groepslid krijgt een rol/taak;
• Individuele aanspreekbaarheid; iedereen is aanspreekbaar op het groepsresultaat en aanspreekbaar op de gemeenschappelijke uitkomst. Als er geen onderlinge afhankelijkheid is dan is samenwerkend leren kansloos. Hulp hierbij kan zijn de individuele bijdrage zichtbaar te maken en of de groep een oordeel uit te laten spreken over ieders bijdrage en of een cijfer te verbinden aan de groepsopdracht of na het samenwerkend leren een repetitie af te nemen over de bestudeerde stof;
• Directe interactie. De groepsleden moedigen elkaar aan, ondersteunen elkaar en communiceren op een directe wijze met elkaar. Door dit te stimuleren moeten de groepsleden dicht bij elkaar zitten en elkaar kunnen zien, “neus tegen neus en teen tegen teen”.
• Sociale vaardigheden. De groepsleden moeten beschikken over interpersoonlijke vaardigheden en over vaardigheden in het samen leren, zoniet dan is het effect minder tot niet effectief.
• Evaluatie en bijstelling van groepsprocessen. Onderleiding van de docent met de LL het groepsproces, de samenwerking en ieders bijdrage bespreken. Geef de LL de ruimte hun eigen functioneren te bespreken.

Drie basisstructuren bij samenwerkend leren
Er worden drie redelijk toepasbare samenwerkingstructuren behandeld:
• Check-in-duo’s. Is mn. geschikt als je snel en efficiënt de antwoorden wilt checken of opdrachten met een eenduidig antwoord. Wissel de duo’s, voorkom vaste patronen.
• Denken-delen-uitwisselen. Is met name. geschikt voor de meer complexe vragen. De rol van de docent is terughoudend en procesbegeleider;
• Eenvoudige experts. Deze structuur kan worden gebruikt bij complexe opdrachten waarbij veel informatie moet worden verwerkt. De stof wordt in gelijkwaardige stukken geknipt en verdeeld onder de groepsleden die deze gaan verwerken, door bijvoorbeeld het samen te vatten . Elk groepslid wordt expert over zijn aandeel en gaat deze kennis overdragen aan de andere groepsleden. De rol van de docent is terughoudend, procesbegeleider, nauwelijks inhoudelijk interveniërend en draagt zorg voor de nabespreking;

I:H4

De rol van de docent is een andere. Uit beide hoofdstukken wordt mij duidelijk, dat de docent een begeleidende en sturende rol heeft. Hij is verantwoordelijk voor het goed verlopen van de samenwerking. De aangereikte structuren kunnen doelgericht ingezet worden om zo het leer rendement te verhogen en de docent tijd te besparen. De lesplannen moeten eerst worden aangepast. De bespaarde tijd kan doelmatig worden aangewend om die LL te helpen die dat nodig hebben. De snellere LL kunnen dan verder werken. Het zal resulteren in een prettigere werksfeer, actievere LL in een veilig werkklimaat, want fouten maken is nu helemaal niet erg, LL hebben veel meer vrijheid, LL kunnen nu lekker kletsen en nu eens over het vak, de leraar loopt rond als vraagbaak en toezichthouder.

Belangrijk is de LL goed voorbereiden op het samenwerken. Het samenwerken zal dan ook zeker niet vanzelf gaan. Het is dan ook noodzakelijk de doelen uit te leggen en te bespreken. Geef duidelijk de regels aan en geef antwoord op de vraag:”Waarom werken in groepjes zo belangrijk is?”. Als vakdocent wil je graag dat de leerlingen snel veel leren van jou vak. Dus zijn de geboden structuren meer dan welkom. Daarnaast wordt er een beroep gedaan op de sociale vaardigheden dat onontbeerlijk is om te komen tot een effectieve samenwerking.

T: H4

De beschreven theorie is erg nuttig voor mij ik ben nog geen docent. Door verhalen in de media over het nieuwe leren was ik vrij sceptisch over al deze in mijn ogen nieuwigheden. Afgelopen donderdag heb ik een wiskunde les gegeven op het Oranje Nassau college. Dit is een school die zich toegelegd heeft op het nieuwe leren samen werken in groepjes vormt hier een belangrijk onderdeel van het aangeboden onderwijs. Ik heb hier in de praktijk kunnen zien hoe dit werkt en ik moet zeggen dat ik , hoewel een container begrip, veel positiever sta t.o.v. het nieuwe leren. Een heel belangrijk punt vind ik de betrokkenheid van LL.en de ruime mogelijkheid tot individuele begeleiding.

groepjes van drie personen;
- elke groepslid krijgt een roulerende taak, denk aan tijdswaarnemer, lezer, schrijver en controleur;
- ik loop rond om te assisteren.
- In mijn gegeven les heb ik ditmaal ll laten werken in groepjes van twee volgens het check in duo’s principe

Een lesuur heb ik gebruikt om opdrachtjes uit het boek te laten maken. Het was tevens bedoeld ter voorbereiding op de overhoring.
Ik herhaal de doelen, de regels. Voor het samenstellen van de groepjes heb ik de eenvoudigste oplossing gekozen nl samen met je buurman/vrouw. Ik loop rond om hier en daar te assisteren en toe te zien op de groepsprocessen. Het lastigst vond ik hierbij de ll op de taak te laten concentreren, al snel gingen gesprekken over andere dingen dan de opgaven.

Het is heel leuk om op zo’n actieve manier om te gaan met leerstof. Maar: “Wat zijn nadelen of wat zouden nadelen kunnen zijn? Wordt de tijd die voor de groepsopdrachten efficiënt besteed? Gevoelsmatig vliegt de tijd, wordt de tijd door de LL ook aan andere dingen besteed dan werken aan de opdracht? Hoeveel is dan die verloren tijd? Is goede werksfeer niet heel erg bevorderlijk voor efficiëntie verhoging?”

Al met al moet ik concluderen dat de school waar ik een les heb gegeven het gestimuleerd wordt om samen werkend te leren. Ik kan mij scholen voorstellen waar het niet of nauwelijks gebeurt. In dit geval zal het meer energie kosten om het samenwerkend leren in te voeren.

Dossieropdracht 9/ taalproblemen

januari 13, 2009 door larsdevries

Dossieropdracht 9

Bit verslag hoofdstuk 12 “Taalproblemen”

Wiskunde onderwijs in de basisvorming

Het hoofdstuk gaat in op problemen die leerlingen met taal kunnen hebben. Het gaat hier niet alleen om kinderen waar thuis geen Nederlands wordt gesproken maar ook over kinderen uit  “arbeiders milieus”.Overigens vind ik het woord arbeidersmilieu een slecht woord. Het is nl niet gezegd dat deze kinderen taal armer zijn en belangrijker wat is precies een arbeider. Moeten we hier eerst das kapital voor lezen. Iets waar zelfs mensen uit de hoogste sociale milieus moeite mee zullen hebben ten aanzien van de taal. Ik zou zelf de term sociaal zwakkere milieus gebruiken. Deze vlag dekt de lading beter. Het probleem met taal bestaat uit verschillende facetten. In het hoofdstuk wordt een verdeling tussen verschillende soorten woorden. Het zijn vervolgens de woorden die de zinnen maken. Zelfs als alle woorden bekend zijn, kan de structuur van een zin problemen opleveren. Een bijkomend probleem is dat de informatie die er in een zin staat niet duidelijk is. Dit kan uiteenlopende redenen hebben. “Een zin als tussen de regels door lezen” zou hier een voorbeeld van kunnen zijn. Het bevat verborgen informatie, het is verwarrend en voor velen zal het onbegrijpelijk zijn.

Hulp bij taal arme leerlingen kan op verschillende manieren worden gegeven. Een nuttige instructie die in het hoofdstuk staat is het helpen voor nu en later. Het feit dat gesproken taal anders is dan geschreven taal, is iets dat ik zelf ook ervaar tijdens het schrijven van dit bit verslag. Leestekens kunnen voor een deel nuances in een zin aanbrengen maar gesproken taal biedt hiervoor meer mogelijkheden. Het hoofdstuk geeft als suggestie om een les of een deel van een les te besteden aan lezen. Het is van belang leerlingne te laten leren lezen. Taal in wiskunde is vaak anders dan gewone taal bovendien is tekst vooraf aan een opgave bedoeld omtot een antwoord te komen. Het is duielijk dat de bedoeling van de tekst is om informatie te geven. Het is van belang dat leerlingen dit uit de tekst leren te halen.

 

IT

Het is van belang duidelijke taal te spreken hoewel dit een open deur lijkt is het maar de vraag wat nu duidelijk is. Bij het onderscheid dat gemaakt wordt tussen woorden, “wiskunde- laagfrequente woorden, synoniemen en verwijswoorden”, mis ik de homoniem. Dit is een woord dat verschillende betekenissen kan hebben. Zo heb je arm als lichaamsdeel maar ook als deel van een kraan. Waarbij kraan ook een homoniem is, iets waar water uitstroomt en zo’n ding wat op een bouwplaats staat. In het hoofdstuk taalproblemen worden een aantal homoniemen beschreven onder wiskunde woorden. Daar waar homoniemen in teksten voorkomen zou ik ll vragen of ze nog andere betekenissen voor dit woord kennen, waarna ik ze zou wijzen welke betekenis in de tekst wordt bedoeld. Laagfrequente woorden worden vanzelf hoogfrequent als je ze maar gebruikt. Ik vind dan ook dat je wiskunde woorden, termen die over het algemeen laagfrequent zijn niet moet mijden. Hoewel wiskunde geen taal is, is het wel interessant te vermelden dat de postulaten van euclides uit nagenoeg alleen woorden bestaat. Taal vormt een onderdeel van wiskunde en moet dus gewoon geleerd worden niet gemeden. Een goede praktische tip die het boek vermeld is het geven van een les of deel van een les over leesproblemen. Je kunt leerlingen zodoende nieuwe taal en nieuw taalgebruik leren. Nu is taal een onderdeel van wiskunde, ik vind echter dat een wiskunde opgave geen tekstverklaring moeten worden. Een wezenlijk gevaar dat rijke context opgaven met zich meebrengen. Lange zinnen zou ik zoveel mogelijk in korten. Het uit de tekst halen van relevante informatie is iets waar geregeld aandacht aan moet worden gegeven. Een uitstekende manier om leerlingen te verwarren bij een opgave, is om er gegevens bij te doen die niet relevant zijn voor de opgave. Bijvoorbeeld je vraagt om de inhoud van een kubus en je vertelt erbij dat hij 5 meter boven de grond staat. Veel context opgaven bevatten bovendien informatie die bij mij ergernis wekken. Zoals bv ”Tweehonderd jaar geleden zijn er door Europese immigranten konijnen geïmporteerd in Australië”(moderne wiskunde B1 deel 3blz 127 opgave 5). Lezen kost tijd en de tekst bevat geen gegevens die nodig zijn om de opgave op te lossen. Het is misschien wel wat meer actie taal, maar dient buiten dat het, het lezen misschien (voor mij niet) interessanter maakt, geen enkel doel. Mijn houding ten aanzien van taalproblemen is onderken, herken en verbeter. Het vermijden van “moeilijke” woorden vind ik een verarming. Je zit toch op school om je te verrijken.

opdracht 6G

januari 4, 2009 door larsdevries

Mijn top-vijf

1 – f     Betekenis geven. Duidelijk maken waarom het de moeite waard is om zelf tijd te stoppen in de stof als het proefwerk slecht gemaakt, leerlingen daartoe motiveren.

2- j     De LL ontvangen de gemaakte en gecorrigeerde repetities terug. Voor het nabespreken deel ik wederom de opgaven uit. De uitwerkingen laat ik zien op de overheadprojector en deel ik dus niet uit. Na de bespreking wil ik alles terug hebben, dus ook de door hun gemaakt repetitie. Thuis stop ik dat in het archief.

3- n/i/h     Leren van fouten. Klassikaal nabespreken van de meest gemaakte fouten (n). Ook laat ik zien waar de punten te verdienen zijn (i). Waar de fouten gemaakt zijn wordt duidelijk door een steelbladdiagram op het kleine bord (h). Sommige zaken wil ik persé onder de aandacht brengen, andere zaken laat ik de klas beslissen. Vragen? Geen vragen? Hup en door naar de volgende. Jammer maar als het te lang duurt ben ik alleen maar druk met ordehandhaving.

4 – g     Ter voorkoming van oeverloze discussies bij het nabespreken, mag de LL na de les altijd bij me komen als er dan nog vragen zijn. De LL is aan zet.

5 – b     Als de klas het niet goed heeft gemaakt, dan mag ik dat mij zelf aanrekenen. Was de klas nog niet zover? Hoe hebben parallelklassen het gemaakt? Repetitie te moeilijk? Punten toekenning in de normering goed? Toets te lang?

                  Ik kan ervoor kiezen de klas het opnieuw te laten maken in de klas, op de manier zoals ik hierboven reeds heb beschreven. Het is even wat werk en het kost lestijd, maar het levert ook veel op. Hier doel ik niet alleen op cijfers en effectiviteit maar goodwill van de LL.

Bit verslag hoofdstuk 10.1 tm 10.12

januari 4, 2009 door larsdevries

Bitverslag

Hoofstuk 10.1 tm 10.12

10.1

B

Paragraaf 10.1 gaat in op het belang van evaluatie met betrekking tot het leergedrag van ll. Het hoofdstuk beperkt zich tot de cognitieve doeldomeinen. In het bijzonder wordt gekeken naar objectieve evaluatie middelen. Een interessant punt vind ik dat het beoordelen van scripties moeilijk subjectief te beoordelen is.

I

Wiskunde is in mijn ogen een vak wat over het algemeen goed subjectief is te beoordelen. Afgezien van het feit dat ll. tegenwoordig ook Gwa’S en praktische opdrachten moeten uitvoeren. Nu is mij gebleken, na de opdracht een proefwerk nakijken dat zelfs bij een ogenschijnlijk objectieve toets er toch veel ruimte overblijft voor discussie.

T

Wat betreft gwa’s en praktische opdrachten zou ik deze laten beoordelen door een collega. Net als bij dit project is het een goed idee om leerlingen hun resultaten te plaatsen op een blog. Bovendien is het in mijn ogen belangrijk om een goede rubric op te stellen, zodat  ll. weten of er beoordeeld wordt en op welke punten.

10.2

B

Vier aspecten van beoordelen worden besproken zijnde, meten, normeren, waarderen en beslissen. Bij het meten is de precisie en validiteit van groot belang. Een belangrijk punt in normering is de grens tussen voldoende en onvoldoende. Stel je deze grens vooraf of achteraf? Een goede beslissing die voortkomt uit de normering en waardering moet betrouwbaar en nauwkeurig zijn.

I

De validiteit vind ik een lastig punt, hoe meet je deze? De precisie staat of valt met een goed correctie voorschrift. Beslissingsregels zijn niet alleen van toepassing op een toets maar ook op de totale prestaties die uitmonden in een rapportcijfer of beslissing over overgaan of blijven zitten.

T

Op het punt van normeren geef ikzelf de voorkeur aan absoluut normeren. Bij relatief normeren bestaat  het gevaar voor niveau daling. Verwachtingen worden naar beneden bijgesteld, dat heeft invloed op het leergedrag van de ll. Van belang is natuurlijk dat de toets valide is dus betrekking heeft op hetgeen geleerd moest worden.

10.3

B

De gebruikswijzen van beoordelingsresultaten wordt onderscheiden in”tussentijdse feedback op leerprestaties” en “selectief gebruik”. Bij tussentijdse feedback wordt gesproken over formatieve evaluatie, bedoeld om lacunes op te sporen en het leerproces dientengevolge te sturen. De selectieve normering wordt summatief genoemd.

I

Beoordeling die formatief is zou niet mogen meetellen bij het vaststellen van rapportcijfers .Het spreekt voor zich dat selectieve beoordeling een hoge graad van objectiviteit  en nauwkeurigheid moet hebben. In toenemende mate naarmate de beslissing meer consequenties heeft. Er is een belangrijk verschil tussen een toets resultaat en een eindexamen beoordeling

T

Het begrip formatieve beoordeling is nieuw voor mij. In de praktijk zou dit toepasbaar kunnen zijn door ll. tussen toetsen en overhoringen. Te testen op hun kennis gedurende een les zou je een proeftoets kunnen geven en vervolgens ll elkaars werk laten nakijken aan de hand van een klassikale bespreking. Dit kan door de docent gebruikt worden voor de onderwijsevaluatie.

10.4

Er zijn een aantal middelen om leerprestaties te evalueren, mondelinge toets, schriftelijke toets, schriftelijke opdrachten, presentaties, spelvormen, actie opdrachten en rapportage van verrichte activiteiten.

I

De schrijvers concluderen dat de meeste van deze beoordelingsvormen moeilik of niet objectief zijn te beoordelen.

T

Aansluitend op de conclusie zijn een aantal van de evaluatievormen niet bruikbaar voor wiskunde. Zo vind ik de actieopdrachten weinig geschikt. In mijn ogen moet je proberen wiskunde zo objectief mogelijk te beoordelen, wiskunde is immers een exact vak. Met de invoering van praktische opdrachten vindt er in mijn ogen al genoeg subjectieve normering plaats.

10.5.1

B

Validiteit en betrouwbaarheid zijn de belangrijkste kwaliteitseisen voor de normering. Valide is een toets  wanneer hetgeen getoetst wordt  betrekking heeft tot de leerdoelen. De validiteit onderscheid zich in inhouds- en vorm validiteit.

I

Bijna vanzelfsprekend lijkt de inhoudsvaliditeit. Je stelt geen vragen over stof die niet geleerd is. De vormvaliditeit vind ik een belangrijk aandachtspunt. Zeker bij wiskunde moet hier goed op gelet worden. Het gevaar bestaat bij contextrijke opgaven dat je niet zozeer de wiskunde dan wel de taalvaardigheid test.

 

T

Met betrekking tot de inhoudsvaliditeit is het van belang ll. vooraf de leerdoelen kenbaar te maken. Dit zou ik ieder les doen door deze op het bord te schrijven. LL zijn verplicht deze op te schrijven. De vormvaliditeit is lastiger maar niet onbelangrijk.. Zorg dat je in context opgaven je zoveel mogelijk beperkt tot het geven van relevante informatie. De toetsmatrijs is een handig middel voor de docent om vast te stellen of hij daadwerkelijk alle of zoveel mogelijk leerdoelen toets.

10.5.2

B

Met betrouwbaarheid van een evaluatiemiddel wordt bedoeld de mate van nauwkeurigheid, waarmee het leerresultaten meet”(citaat blz 326). Van invloed op de kwaliteit zijn hierbij de kwaliteit van het evaluatie middel, de afname situatie en de nakijkprocedure.

I

Ten aanzien van de kwaliteit is het van belang dat zoveel mogelijk getoetst wordt en niet slechts een van de leerdoelen genoeg vragen is hierbij het credo. Bovendien is een eenduidige formulering van vragen noodzakelijk. De afname situatie is vanzelfsprekend van belang. Een ll moet niet afgeleid worden tijdens het maken van toetsen of bij het krijgen van een overhoring of beurt. De leerling moet ook voldoende tijd hebben. De nakijk procedure verdient speciale aandacht, omdat er nogal wat factoren zijn die dit beïnvloeden . De volgende paragraaf  gaat hier wat dieper op in.

T

Het stellen van voldoende vragen komt de betrouwbaarheid ten goede, het is echter wel van belang om rekening te houden met de beschikbare tijd omdat anders de afname situatie negatief wordt beïnvloed. Frequent toetsen verhoogt de betrouwbaarheid, hierbij is een aandachtpunt dat je niet alleen maar moet toetsen maar ook doceren. Ik zie formatieve toetsing als een belangrijk hulpmiddel

10.5.2.1

B

Er worden 5 beoordelingseffecten benoemd. Norminstabiliteit en persoonlijke beoordelingstendentie, uitstralingseffect, opvattingeffect, volorde effect, contaminatie effect.

I

De norminstabiliteit heeft betrekking het verschuiven van het beoordelingeffect.. Dit  kan worden veroorzaakt door bv vermoeidheid maar heeft ook betrekking tot verschil in normen tussen verschillende beoordelers. Het uitstralingseffect heeft betrekking tot bijzaken zoals handschrift, netheid reputatie van de leerling en eventuele gevoelens van sympathie of antipathie jegens de ll. Het opvattingeffect bestaat uit het verschil van belang wat wordt gehecht aan de verschillende aspecten van de prestatie. Het volgorde effect is van negatieve invloed als gekeken wordt naar voorgaande prestaties en die mee worden gewogen in de beoordeling. Het contaminatie effect is in mijn ogen een vorm van bedrog die een docent hanteert om prestaties te flatteren of overwaarderen ten behoeve van zijn eigen prestatie.

T

Een aantal maatregelen die ik zelf zou nemen om genoemde effecten zoveel mogelijk te elimineren zijn: Het daar waar mogelijk zoveel mogelijk een absolute normering hanteren. Proefwerken per opgave nakijken en de volgorde van ll. tijdens het nakijken te variëren. Verder is een goed overleg met collega’s noodzakelijk om de leerdoelen en evaluatie vormen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Dit zou de negatieve invloed van het contaminatie effect moeten beheersen.

10.5.2.2

B

Bij wenken om de betrouwbaarheid te evalueren worden onderscheiden, de kwaliteit van het evaluatiemiddel, de afnamesituatie en de beoordeling

I

De kwaliteit bestaat uit voldoende vragen die per onderwerp zijn gerangschikt. Bovendien moeten de vragen geen antwoord geven op eerdere of latere vragen. De afname situatie moet niet nieuw zijn, hiermee wordt bedoeld dat ll. Vertrouwd moeten zijn met de manier van vragen. Er moet voldoende tijd zijn en ll hebben er baat bij om op gezette tijden te weten hoe lang ze nog hebben Met betrekking tot de beoordeling is een gedetailleerd scoringsvoorschrift op voorhand op te stellen. Het verdient de voorkeur werk door twee personen te laten beoordelen.

T

Een belangrijk aandachtspunt is de hoeveelheid vragen versus de beschikbare tijd. Het laten nakijken door een tweede persoon zou plaats kunnen vinden tijdens de klassikale bespreking van een toets. Ik heb dit zelf altijd als positief ervaren. De leerling kijkt nl nogmaals zorgvuldig naar het gemaakte  en nagekeken werk. De leerling zal zijn aandacht erbij houden er zijn immers eventueel punten te behalen. De docent op zijn beurt zal bij het corrigeren nauwkeurig te werk moeten gaan, zijn werk wordt immers beoordeeld.

10.6

B

Welk evaluatie middel gekozen wordt hangt af van een aantal factoren subjectieve of objectieve beoordeling, wie beoordeelt het werk, hoeveel beoordelers, is de beoordeling globaal of analytisch en is de beoordeling individueel of is het een groepsbeoordeling.

I/T

Bij repetities is het van belang vooraf een gedetailleerd correctie voorschrift op te stellen om de objectiviteit te vergroten. Multiple choice lijkt mij overigens geen geschikte toetsvorm voor wiskunde. Bij een groepsopdracht zou ik een groepscijfer toekennen en de leerlingen onderling de punten laten verdelen. De zelfevaluatie vind ik interessant en zou ik toepassen door in de les voorafgaand aan de toets , ll. te vragen wat ze denken voor een cijfer ze denken te halen. Of je analytisch of globaal beoordeelt hangt af van de evaluatievorm. Groepsopdrachten kunnen meer globaal worden beoordeeld. Repetities/ overhoringen moeten in mijn ogen zoveel mogelijk analytisch worden beoordeeld.

10.7

B

Mondelinge toetsing is doorgaans minder objectief dan een toetsing met gesloten vragen. Verschillende factoren zijn hier de oorzaak van de in 10.5.2.1 factoren spelen hierbij een rol.

I

Om tot een goed mondelinge toetsing te komen verdienen een aantal punten aandacht. Het begint vanzelfsprekend bij het op het gemak stellen van de ll. Je kunt beginnen met en algemene vraag waarvan e nagenoeg zeker bent dat de ll. hem goed beantwoordt. Stel een lijst op met kernbegrippen en stel hieruit de vragen. Noteer de beoordeling van de beantwoorde vragen gedurende de overhoring. Zorg voor heldere ondubbelzinnige formulering van de vragen. Hou de vragen kort en kernachtig. Stel vooraf goed vast wat je wilt toetsen en laat je niet afleiden door de antwoorden.

T

Mondelinge toetsing bij wiskunde zou plaats kunnen vinden met betrekking tot gebruik van hulpmiddelen. Demonstreer hoe je met behulp van een passer de bissectrice van een hoek bepaalt is hier een voorbeeld van. Ik zie overigens niet vel mogelijkheden voor het toepassen van mondelinge toetsing bij wiskunde. Wellicht wat suggesties van medestudent.

10.8

B

Open vragen met als tegenhanger gesloten vragen

I

Open vragen verdienen de voorkeur. Open vragen zijn er in de vorm van korte vagen en lange vragen

T

Gesloten vragen  kun je een open karakter kunnen geven door ll het antoord te laten motiveren. “ Jan zegt dat…” klopt dit zoniet geef dan aan waar Jan fout zit. Verder is wiskunde bij uitstek een vak voor open vragen.

 

 

10.8.1

B

Richtlijnen voor open vragenondubbelzinnige vraagstelling, waarbij je aangeeft hoe lang het antwoord ongeveer moet zijn. Stel onafhankelijke vragen. Splits complexe vragen op. Van belang hierbij is zijn de vormvaliditeit en de inhoudsvaliditeit

I/T

Ll meten zich goed bewust zijn van het feit dat in de wiskunde het antwoord van ondergeschikt belang is ten aanzien van de manier waarop je tot het antwoord komt. Voor de docent is het belangrijk een complexe vraag warbij verschillende berekeningen/redeneringen moeten worden gemaakt op te splitsen. Zodanig dat de voorgaande stap een aanwijzing geeft hoe tot het volgende antwoord gekomen moet worden, zonder het antwoord hierbij te verraden.

10.8.2

B/I

Bij het nakijken een een gedetailleerde antwoord sleutel van belang. Een scoringsvoorschrift opstellen, hoeveel punten per vraag. Hoe waardeer/ bestraf je fouten die niet rechtstreeks tot de leerdoelen behoren zoals netheid en spellingfouten.

T

Bij de toets aangeven hoeveel punten er per onderdeel zijn te verdienen . Spellingfouten tel ik, al  zou ik het wel aangeven. Dit alleen ter lering niet ter beoordeling. Bij twijfel hulp inroepen van een collega.

10.8.3

B/I

Open vragen verdienen over het algemeen de voorkeur. Niet in de laatste plaats omdat dit het construerend leren bevordert. Een nadeel is dat een antwoord verschillend kan worden gegeven. Hierbij komt de objectiviteit van de beoordeling in gevaar.

T

Het opstellen van een gedetailleerde antwoordsleutel is van essentieel belang

10.9

B

Gesloten vragen hebben een aantal verschijningsvormen, rangschikvragenSorteervragen, meerkeuzvragen en juist of onjuist vragen

I/T

Bij het stellen van gesloten vragen zal ik altijd om een motivatie vragen om te kunnen zien of het niet een zuivere gok is

10.9.1

B/I

Gesloten vragen zijn met betrekking tot de correctie objectief, mits er niet om motivatie van het antwoord wordt gevraagd. De vragen dienen vooraf wel aan een goede kwaliteitsbeoordeling worden onderworpen.

T

Hoewel de objectiviteit bij gesloten vragen in het gedrang komt bij het motiveren van het antwoord vind ik wel dat het plaats moet vinden.

10.9.2

B

Meerkeuzevragen hebben een grote vlucht genomen sinds de jaren 70Dit om maatstaven te uniformeren.

I/T

Een nobel doel maar persoonlijk vind ik meerkeuze vragen niet geschikt voor wiskunde en zal dit dus ook zoveel mogelijk nalaten

10.9.2.(1,2,3)

B

De analyse van gegeven antwoorden vind plaats met zgn. p waarden en a waarden. De P waarde vertegenwoordigt het percentage ll. Dat de vraag goed het beantwoord. De a waarde geeft aan hoe aantrekkelijk de andere antwoorden (afleiders) waren.

 

I/T

Opmerkelijk vond ik de conclusie dat acceptabele a waarden tussen de .1 en .4 liggen.

Volgens mij kun je dit niet zo eenvoudig stellen bij een meerkeuze vraag waarbij 4 opties zijn zou een antwoord met a waarde .4  resulteren in .6 te verdelen over de resterende a waardes en P waarde. Dit zal resulteert in een P waarde die waarschijnlijk onder de hoogste a waarde ligt. .4 voor een a waarde lijkt mij daarom te hoog.

10.10

B

Het objectief beoordelen van een werkstuk is geen eenvoudige opgave. Zoals terrecht gesteld is de gevarieerde uitwerking van de opdracht hier debet aan. Het gevaar van subjectiviteit is levensgroot aanwezig, zo kunnen er verschillen in pvatting zijn, de uitstraling  van het geleverde werk kan verstorend werken en niet in de laatste plaats verschil in strengheid van aangelegde normen. Voorts kan een werkstuk analystisch of globaal worden beoordeeld. Waarbij de analytische beoordeling veel tijd vergt. Natuurlijk kan er ook gekozn worden voor een tussenvorm. Als hoofddimensies voor een werkstuk beoordeling worden genoemd, Qua vorm, vormtechnische en communicatieve aspecten, qua inhoud, correspondentie tussen vormaspecten en inhoud, probleemstelling , argumentatie,en tot slot vakinhoudelijke aspecten.

I/T

Gwa’s/werkstukken komen ook bij wiskunde voor. Ik zie dit als zeer nuttig omdat hierbij vakoverstijgend wordt opgetreden, iets dat wiskunde extra zingeving  geeft. Terecht wordt opgemerkt dat de objectiviteit hierbij onder druk komt te staan. Het is daarom van belang een gedetailleerde rubric te maken, zodat leerlingen weten waar het werk aan moet voldoen. Het laten beoordelen door een collega zie ik als nuttig al heb je hier natuurlijk wel medewerking bij nodig. Persoonlijk zou ik in de beoordeling zoveel mogelijk analytisch te werk willen gaan. De lijst met beoordelingsaspecten is hierbij bijzonder praktisch. Hoef je in ieder geval het wiel niet helemaal uit te vinden. Deze lijst is zeer bruikbaar bij het maken van een goede rubric.

10.11

B

De vraag die aan bod komt is normeer je relatief of absoluut. Absoluut betekent dat er genormeerd wordt aan de hand van een vooraf opgestelde norm.Relatief betekend dat je vooraf een beeld vormt van het gemiddelde resultaat. De behaalde resultaten worden aangepast aan de verwachting.

I/T

Beide vormen hebben nadelen. Zo kan een absolute normering leiden tot een onaangename verassing als blijkt dat er ruim onder of boven je verwachting wordt gescoord. Een relatieve normering kan zelfbedrog (zowel leraar als leerling) in de hand werken. Een ander gevaar dat op zou kunnen treden is dat leerlingen uit maken wat de leerdoelen zijn, als iedereen beslist iets niet te leren stelt de docent de eisen wel bij. Een te rigide houding bij absolute normering brengt echter het gevaar met zich me dat de afstand tussen docent en ll. Te groot wordt.” Het maakt niet uit wat ik zeg, de docent luistert toch niet”. Hoewel mijn persoonlijke voorkeur uitgaat naar een absolute waardering, zal ik als beginnend docent de relatieve waardering vaker toepassen. De derde vorm van normering zal ik in de praktijk dan ook toepassen waarbij gebruikmakend van het overzicht op pagina 363 een goede afweging gemaakt kan worden.

10.12

B

Het toekennn van cijfers is geen exacte wetenschap hoewel bijvoorbeeld gesloten vragen objectief beoordeeld kunnen worden, hoeft het toegekende cijfer dat nog niet te zijn. Verschillen ontstaan  door, een verschil in het percentage van toegekende voldoendes, de spreiding van cjifers hoe vaak telt iets mee, het contaminatie effect en tot slot de berekening van het raportcijfer.

I/T

Het toekennen van cijfers is dus geen wet van meden en perzen. Er moet binnen de secties daarom ook een zekere overeenstemming zijn van hoe er wordt beoordeeld. De 10 puntenschaal heeft mijn voorkeur, sterker nog de toekenning van voldoendes, ruim voldoendes, goed, etc.. vind ik gerommel in de marge. Tot mijn spijt wordt dit kleutersysteem ook op onze opleiding gehanteerd. Zeker bij een vak als wiskunde vind ik dat schandalig. De aanbevelingen om tot betere cijfering te komen zijn deels bruikbaar, maar de opmerking wie het verschil tussen zeer onvoldoende cijfer 3, slecht cijfer 2 en zeer slecht cijfer 1 kan aangeven mag de vinger opsteken. Bij deze dien ik van repliek als je het verschil niet kent tussen 1,2,of 3 moet je leren tellen. Ik vind dat er gewoon gecijferd moet worden tussen 1 en 10. Dat rapportage over schoolvorderingen omzichtig moet worden omgegaan vind ik een bruikbare tipveel van dit soort boodschappen zijn vaak onuitvoerbare opdrachten. Doe beter je best is hier een mooi voorbeeld van. Het lijkt duidelijk maar geeft geen invulling aan hoe dat gedaan moet worden. Laat de cijfers maar spreken hieruit kan de leerling zelf de connclussies trekken.

 

 

 

 

 

 

 

 

Dossieropdracht 4 Feedback op lesvoorbereiding

december 28, 2008 door larsdevries

Naam maker van de opdracht: Olaf Henneveld
Naam beoordeler: Pascal Schumacher

Feedback bij opdracht “de Stelling van Pythagoras”
A) Wordt de voorkennis goed benoemd?
De voorkennis die genoemd wordt is het kunnen benoemen van verschillende driehoeken. Daarnaast komen ook de begrippen oppervlakte en omtrek ter sprake. Alleen begrijp ik niet zo goed wat de omtrek van een driehoek hier mee te maken heeft. Misschien om de lln het verschil tussen oppervlak en omtrek nog een keer uit te leggen? Verder komen natuurlijk de begrippen kwadraat en wortel uit de eerste paragrafen ter sprake en uiteindelijk de stelling van pythagoras.

B) Worden minimaal twee doelstellingen in concreet waarneembaar leerlingengedrag goed geformuleerd.
De twee genoemde doelstellingen zijn helder geformuleerd. Het leerlingengedrag is goed geformuleerd als een rekenkundige en praktisch toepasbare vaardigheid

C) Wat vind je van de verdeling klassikaal/zelfstandig/afronden.
Ik vind het een goede les die is beschreven. Ondanks het feit dat je nog geen les geeft. Je mag de leerlingen de mogelijkheid geven om naar het toilet te gaan tijdens een leswisseling. Je mag er alleen niet van uitgaan dat er op elke school tijdens de bel (na het eerste uur) je ook zomaar het lokaal kan/mag verlaten. Het zou dan wel eens verschrikkelijk druk zijn in en rond de toiletten. Daarnaast heb je ook leerlingen die het prettig vinden om lekker door te werken. Hen zou je nu tegenwerken.

D) Wat vind je van de controlevragen bij opdracht 36
Er worden twee controlevragen gesteld.
Bij de eerste vraag komt geen enkel getalletje in voor. Er wordt alleen gesproken dat de ladder “iets te schuin” staat. Ik denk dat deze vraag voor de lln te eenvoudig is. Ze hebben immers al een hele serie opdrachten gehad over verschillende driehoeken. Dit concreet voorbeeld van een ladder die te recht tegen een gevel staat zou al eerder dan opgave 36 gesteld kunnen zijn.
Ik zou het helemaal in het begin gedaan hebben. Namelijk bij het uitleggen van de steilheid van de schuine zijde van een rechthoekige driehoek. Deze steilheid heeft namelijk te maken met de lengte van de horizontale en de lengte van de verticale zijden. Hoe korter de horizontale zijde en dus hoe langer de verticale zijde, hoe steiler de schuine zijde is. Dit natuurlijk bij een driehoek waarbij de schuine lengte constant is.
Deze controle vraag lijkt mij dus meer een controlevraag over voorkennis.

De tweede vraag gaat dieper op de behandelde stof. Met behulp van een berekening moet nu bepaald worden hoever de ladder van de muur moet staan om het uiteinde van de ladder 1 meter onder de dakgoot tegen de gevel te plaatsen.
Persoonlijk denk ik dat ook het punt veiligheid hier bij betrokken moet worden. Hoe groot is Rachid? Hoe steekt de dakgoot van de gevel af? Met andere woorden kan Rachid de bal uit de dakgoot op 5,5 meter hoogte halen met een ladder van 5 meter. Ik denk dat dit voor de leerlingen heel duidelijk zou zijn.

E) Hoe vind je dat de overgang beschreven is.
Theoretisch is alles goed en duidelijk beschreven. Echter in de praktijk kun je niet alles in 15 minuten doen en dan afkappen om met het volgende verder te gaan. Soms zijn er van die leerlingen die enkele zaken nog niet onder de knie hebben. Deze leerlingen zouden dan stukjes van de basis missen, waardoor ze misschien later vast komen te zitten omdat ze de basis missen.
Verder is natuurlijk niet alles van te voren te plannen, zoals je als docent graag wil doen. Het is een streven.

F) Komen een aantal sleutelbegrippen terug en wat vind je van wat er is opgeschreven
Bij iedere overgang staan de sleutelbegrippen genoemd. Het is een reële les die goed is beschreven.